Samen mooi goed oud worden. (Christelijke) presentie in deze tijd.

In deze tekst schrijf ik over mijn ervaringen in de wijk en de zaken die me opbouwmatig en theologisch bezighouden. De tekst is verschenen in het bulletin van het Werkverband Kerkelijk Opbouwwerk (WKO) in maart 2022 met als thema: Herbronning als bezinning op de hedendaagse context en mogelijkheid om vanuit een christelijke traditie present te zijn in de samenleving.

Nadat ik tien jaar als dekenaal opbouwwerker gewerkt had, ging ik in 2016 aan de slag bij de stichting Wijkpastoraat Rotterdam west. Door de kredietcrisis en de verdergaande ontkerkelijking lukte het mijn bisdom niet meer om een dekenale organisatie in stand te houden. Ook het wijkpastoraat Rotterdam had rond 2010 problemen om de financiën rond te krijgen en ontbond vaste contracten. Een klein groepje betrokkenen startte met een nieuwe stichting gericht op het westen van Rotterdam en nam opnieuw mensen aan, maar nu op ZZP basis. Ik ging aan de slag als dienstverlener voor het opzetten van een project voor ouderen en eenzaamheid in de wijk Nieuwe Westen, onderdeel van het gebied Delfshaven. Deze voorgeschiedenis kleurt mijn verhaal. Duidelijk mag zijn dat ik van een gestructureerde kerkelijke setting overstapte naar een nieuwe werksituatie waar wel een traditie en methodiek voor handen was, maar de stichting maakte met mijn aanstelling een nieuwe start in een nieuwe wijk. Het werd een reis die me nieuwe ervaringen bracht. Nu de grote kerken moeite hebben de begroting rond en de gebouwen vol te krijgen, starten er ook kleine projecten in de marge. Dat daagt uit de vraag te stellen hoe deze initiatieven zijn te typeren, wat de kracht en kwaliteit van dit soort projecten is en wat is daarvan bruikbaar voor anderen?  Ik doe een poging.

Senioren en eenzaamheid.

De stichting koos voor het thema eenzaamheid omdat dit in Rotterdam een prioriteit is in het welzijnsbeleid. Ruim 50% van de Rotterdammers voelt zich soms of vaker eenzaam. De eenzaamheid die ik tegenkom heeft vele gezichten, met persoonlijke en maatschappelijke achtergronden. Mensen die om wat voor reden ook een slecht contact met hun kinderen hebben. Vrouwen die vroeg hun man hebben verloren of gescheiden zijn en het voor hen nog steeds moeilijk is om in een leeg huis thuis te komen. Een aantal mannen die nooit een partner hebben gevonden en geïsoleerd leven. Kwetsbare mensen die door migratie, trauma’s of (lichte) psychiatrische klachten hebben en dreigen een buitenbeentje te worden. Wat ik ook zie bij de groep ouderen is een gevoel van overbodigheid, het idee niet meer mee te tellen of mee te komen in een snel ontwikkelende maatschappij. Met name door het beleid om ouderen langer thuis te laten wonen en de druk op de verpleeghuizen laag te houden vallen mensen in een gat. Ze krijgen thuis zorg, maar het effect is dat hun sociaal netwerk, omdat ze minder mobiel zijn, kleiner wordt en ze veel uren op een dag alleen zijn. Om dit op te lossen wordt in de begroting geld gereserveerd voor deze doelgroep. Daarbij wordt binnen de welzijnsbegroting 30% uitgetrokken voor ‘colour locale’ wijkinitiatieven. Het wijkpastoraat doet hier elk jaar een beroep op en kan, naast aanvragen bij andere fondsen, mij als werker voor drie dagen betalen.

De wijk (Nieuwe westen) bestaat uit hoofdstraten met koophuizen en zijstraten met veel sociale huurwoningen. 70% van de bevolking heeft een migratieachtergrond. De autochtone bevolking bestaat uit mensen die zijn overgebleven nadat in de jaren ‘80-‘90 veel mensen wegtrokken naar nieuwbouw wijken. Recent heeft de wijk te maken met een proces van gentrificatie. Beleggers kopen panden op voor verhuur aan studenten en mensen met hogere inkomens. In de hoofdstraten verschijnen, naast de halal vlees en groentewinkeltjes koffietentjes, waar jonge mensen met computers zitten te werken. Op het centrale plein bij de supermarkt zie je veel Turkse en Marokkaanse mannen kletsen en loopt een grote verscheidenheid aan mensen qua leeftijd, achtergrond en cultuur de supermarkt binnen.

Onder het motto ‘Samen mooi en goed oud worden’ heeft het ouderenproject twee doelstellingen. Allereerst ondersteuning en bezoek van kwetsbare ouderen. Op dit moment werk ik samen met een steungroep van bewoners en volgen we 45 ouderen. Er is contact met de autochtone bewonersgroep, maar ook met mensen met een Kaapverdische of Surinaams- Antilliaanse achtergrond. Het tweede doel – netwerkversterking – beoogt ouderen met elkaar in contact te brengen via gespreksgroepen, filmclub in het eigen buurtcentrum en buitenactiviteiten zoals wandelen, excursies en museumbezoek. Op deze manier bereiken we zo’n 50-60 bewoners meer of minder intensief. Er is in de loop van de tijd een onderlinge band ontstaan. Een aantal bewoners neemt als kartrekker de verantwoordelijkheid voor deeltaken.

Present zijn in het dagelijks leven van mensen.

Door mijn aanstelling werd ik van een tweedelijns opbouwwerker een eerstelijns wijkwerker. Gelukkig heeft het Rotterdamse wijkpastoraat een lange traditie in het werken met de presentieaanpak. Deze werksoort is gelieerd aan het netwerk van inloophuizen, buurt- en straatpastores verenigd in het netwerk DAK (www.netwerkdak.nl). Ik deed een exposuretraining van een aantal dagen. Vooral het rondlopen door de wijken van Rotterdam was een goede oefening in het onderzoeken, maar niet oordelen. Aanvullend volgde ik een cursus over de presentieaanpak. Duidelijk werd dat ik veel moest afleren. Omdat er nog geen netwerk of structuur was, begon mijn werk op straat en startte ik met een lijstje van de buurtcoach met namen van wie men het vermoeden had dat ze eenzaam waren. Zo startte ik een serie huisbezoeken.

De theologische basis van het presentiewerk. 

Een praktische regel vanuit de presentiemethodiek is dat de ander de agenda van het gesprek bepaalt. Dit dwong mij om scherp te luisteren en op mijn handen te zitten. Het kostte me tijd om me de leefwereld van mensen en hun behoeften en vragen eigen te maken. Dat betekende bijvoorbeeld meedoen met de bingo, Hollandse pot koken omdat de ‘Hollanders’ al die buitenlandse gerechten met moeilijke kruiden niet lusten. Maar ook verhalen aanhoren over buitenlanders en vluchtelingen die alle huizen inpikken. Een woordje dat in deze periode vaak bij me opkwam was ‘gewoon’. Als ik present wilde zijn aan mensen in de buurt, moest ik laten zien dat ik hun perspectief kende en begreep, dat ik betrouwbaar was door te doen wat ik beloofde, dat ik trouw was, maar ook dat ik me ‘toonde’. Dat wil zeggen dat ik ook eigen vragen en onzekerheden liet zien en me zeker niet boven hen stelde. Bewoners identificeren zich met de straat en de bewoners die ze kennen. Ze zeggen niet helemaal onterecht: ‘ach al die werkers van het welzijnswerk en de woningbouwvereniging die gaan na een paar jaar weer, maar wij blijven hier’. Present zijn betekent dat je allereerst mee doet met de bewoners en je eigen taal, normen en waarden en goede bedoelingen tussen haakjes zet. Pas als er verbinding is, komt er ook ruimte voor je ondersteunende of leidinggevende rol. Het blijft een uitdaging om als werker vanuit, wat genoemd wordt de A-wereld (mensen met kennis, bezit) verbinding te maken met de B-wereld van mensen die vanuit hun perspectief en soms kwetsbare situatie hun leven organiseren.

In de missie van de stichting Wijkpastoraat wordt verwoord dat zij geïnspireerd door het evangelie present wil zijn aan bewoners. Deze grondhouding van de presentie heeft sterke raakvlakken met theologiseren die start bij de levende praktijk van mensen en dan met name die van ‘menselijke gebrokenheid’. Dus niet de organisatie of de leer is het uitgangspunt, maar het gewone dagelijkse leven. Bevrijd van de ballast van het moeten opbouwen van een versteende kerk, ging ik open en zoekend aan de slag met wat voor deze ouderen ‘goed en heilzaam’ is. Ik gebruik een paar gedachten uit het boek ‘Alle dingen nieuw’ van Eric Borgman[i] om te laten zien dat het centraal stellen van de wereld als vindplaats van God oude papieren heeft. Ik herken in zijn eerste hoofdstuk ‘Waar theologie ontspringt’ veel vanuit mijn eigen praktijk:

Nabijheid als ware bron. Borgman stelt dat het de ‘pastorale’ praktijk van werkers en hun omgaan met het gebroken leven is, die de basis vormen voor de theologie. Gelovig geïnspireerde mensen steken, zo schrijft hij, in op het niveau van het ‘concreet geleefde leven’. Maar Gods stem laat zich niet zomaar horen en niet zomaar verstaan, zeker niet in onze cultuur. De werkers in de geestelijke zorg, of de buurt zoeken naar betekenis, maar hebben ook een gevoel van thuisloosheid omdat het zo complex is. Er is weinig gezamenlijke taal, de noemer waarmee je binnen komt is niet helder als het gaat om je rol en doel. De mensen die je tegen komt hebben vaak een lange complexe geschiedenis.  Het gaat er om als mens/werker dit contact aan te gaan en er op te vertrouwen dat het voor beiden waardevol is. Ik denk bijvoorbeeld aan de oude Hongaarse man die ik elke twee weken bezocht. Hij had zijn kleine achterkamertje helemaal vol staan met flessen drank en hij dronk de hele dag door glaasjes wijn, port en whisky en kreeg zo voldoende energie binnen dat hij geen maaltijd nodig had. De drank was zijn eten. En natuurlijk waren er redenen om zo zijn dag door te komen. Redenen die ik in de loop van de tijd leerde kennen want,  zo leerde ik, kan je leven gaan als het gaat om relaties, werk, oorlog, migratie enz. Zo’n contact roept veel vragen op. Wie ben jij dat je op bezoek komt en wie is hij dat hij je binnen laat. Twee sleutelwoorden springen er uit. Het ‘Eenvoudig hier zijn’ is een paragraaf over parochiepriester McNamee in Noord Philadelphia, die met beperkte middelen en met mensen in moeilijke levensomstandigheden gemeenschap probeert te zijn. EB p. 83-86. Ik herken hier dat je met beperkte middelen aanwezig bent en het is zeker niet perfect. Maar het belangrijkste is dat je er bent. Het tweede is dat je je laat raken en de pijn van mensen serieus nemen. Halik verwoord dit in een krachtig beeld n.l. ‘Raak de wonden aan’. EB.p 76-79. Zo optrekken met bewoners leer je niet uit een boekje. Het is steeds opnieuw proberen, uithouden, verdragen, durven, kunnen, beschikbaar zijn. Deze nabijheid is de ware bron van alle leven:

‘De theologie ontspringt aan het dwaze, het zwakke, het geringe, het verachte en het niets dankzij Gods nabijheid aan het dwaze, het zwakke, het geringe, het verachte en het niets. Zij expliciteert deze nabijheid en brengt haar in deze zin aan het licht, en zij maakt duidelijk dat deze nabijheid de ware bron en de echte moeder is van alle leven, van alle vormen van bestaan’. EB p. 105

Aandacht is een tweede kernbegrip. Om de wereld ‘te lezen’ is aandacht de sleutel zo schrijft Simone Weil. Het gaat om het waken, het wachten en het aandacht hebben.

Het denken moet leeg zijn, in afwachting, niets zoekend, maar gereed het voorwerp dat erin zal doordringen in zijn naakte waarheid te ontvangen‘. EB p. 44.

In de ontmoeting tussen de werker en de bewoner en zijn of haar verhaal gaat om het om de ‘lege ruimte’ die kan ontstaan, waarin de ander zich gaat tonen.[ii] Dit kan alleen als de werker zijn wil en goede bedoelingen thuis laat. Borgman stelt dat het gaat om dat ‘wat zich op verborgen wijze meldt en vanwege het ultieme en omvattende belang ervan niet ongezegd mag en kan blijven. EB. p. 59

Eigen kracht, transformatie. Deze buurt en de mensen met hun gemis en verlangen is de basis van mijn werk. Ik ben graag op straat om met de mensen een gesprekje te hebben. Het levert ook altijd iets op. Een afspraak om een keer langs te komen. Een signaal van iemand met wie het niet goed gaat. De wijk is zo een dorp en we praten bij en ‘roddelen’ op een positieve manier over elkaar wat de verbinding en leefbaarheid versterkt. Vanaf het begin bij de activiteiten van de Rotterdam Pas groep en de eetgroep was er een enorme animo en betrokkenheid om deelnemer te zijn, ergens bij te horen, en mee te denken. Met een paar bewoners maken we het maandprogramma en tot aan corona was er een kookgroep van vier ouderen (70 en 80+) die voor 25 mensen kookte. Ik herken er iets in als Borgman in theologische taal schrijft:

 ‘Deze invocatio laat zien hoe in de kale plekken van onze schijnbaar Godvergeten wereld en geschiedenis, het verlangen oprijst naar een onmogelijke transformatie. Het bewuste gemis, en het inzicht in de noodzaak dit gemis in solidariteit te dragen en elkaars verlangen naar betrokkenheid te helpen vervullen, maken de wereld en de geschiedenis tot ruimte en tijd van Gods beloftevolle nabijheid. EB p. 51

De meeste ouderen in de wijk wonen alleen en hebben geen dagtaak. Vanuit het idee van ‘Samen mooi goed oud worden’ gaat het er om elkaar te steunen, zinvolle dag invulling te vinden en de thema’s die bij deze levensfase horen te bespreken. Ik zie hoe in deze ‘oefenplaats’ talenten en kwaliteiten naar boven komen. De onderlinge solidariteit valt daarbij op en dit alles heeft een maatschappelijke politieke betekenis[iii]. In de idee van Borgman is het God die hierin werkzaam is en die maakt dat mensen samen optrekken en zo gemeenschap vormen. Dit zien en benoemen heeft een eigen pastorale en theologische grammatica.  Dit ‘Licht van het leven’ is koffie, thee, brood en wijn en een gesprek van vrienden te midden van krassen op de ziel en soms eenzaamheid. Alledaagse vreugden en gewoon plezier, voor de liefde en betrokkenheid die voortgaat. Halik noemt dit voortgaande opstanding. Wat is de betekenis van het leven anders! EB P. 30.

Context. Ouderenwerker, geestelijk verzorger….. of toch wijkpastor.

Als het gaat om mijn vragen is het nodig de context van mijn werk in ogenschouw te nemen. De context bepaalt de mogelijkheden. Ik noem enkele punten:

  • De stichting wijkpastoraat is mijn opdrachtgever, maar de gemeente Rotterdam stelt met haar projectsubsidie ook eigen duidelijke targets voor het aantal te bezoeken mensen en deelnemers aan groepsactiviteiten. Zowel de financier als de opdrachtgever hebben een verwachting en doelen waar ik rekening mee moet houden bij mijn werkinsteek.
  • De groep mensen met wie ik werk is zeer divers als het gaat om hun religieuze achtergrond. Mensen met een christelijke achtergrond zonder dat zij kerkelijke vieringen bezoeken, mensen die hindoeïstisch of moslim zijn of mensen die ‘niets’ met een georganiseerde godsdienst hebben. Kortom: ik heb te maken met multireligieuze situatie. Deze diversiteit heeft gevolg voor het zoeken naar gezamenlijke noemers en de invulling van jaarfeesten. Elk jaar is de nieuwjaarsreceptie van het wijkpastoraat goed bezocht. We herdenken rond 2 november de overleden bewoners, zijn stil voor de maaltijd en benoemen de gezelligheid, het werk van de vrijwilligers en de reden van afwezigheid van mensen. Ook zijn we, als dat door de familie op prijs wordt gesteld, betrokken bij een rouwdienst in geval van overlijden.
  • Hoe groot de verschillen zijn, toch zijn we in eerste instantie mensen met vergelijkbare behoeften. In de huisbezoeken van ouderen en de groepsgesprekken komen er tal van levensvragen op tafel die universeel zijn. Zeker in de laatste levensfase zijn mensen bezig met terugkijken op het leven, ze proberen contact te houden met het leven van hun kinderen. Als het gaat om gezondheid, mobiliteit en naderende levenseinde is kunnen loslaten een vitaal thema.
  • De nadruk van het werk ligt op presentie en niet op missionering in de vorm van zieltjes winnen of kerkvorming. Borgman gebruikt Thomas van Aquino om de dialectische spanning tussen een ‘ongevormd’ en een ‘gevormd’ geloof te onderzoeken. EB p. 101-105. Gods liefde die in Christus is omvat, doortrekt alle mensen, of zij zich daar nu rekenschap van geven of niet. Gods liefde op aarde is zichtbaar in wederliefde die zich naar christelijke overtuiging niet in woorden maar in daden toont. Want zonder daden is geloof dood. Pastorale presentie in de wijk is een eigenstandige werksoort, ze heeft een eigen taal, methodiek en resultaten. Ze vormt zich niet tot een christelijke gemeenschap met ‘gevormde’ leden, maar misschien is dit juist een gestalte van christelijke presentie die beter past bij onze geseculariseerde geïndividualiseerde maatschappij. 
  • Deze vorm van presentie als tegenverhaal valt op. Zoals dit in het begin van de christenbeweging ook opviel[iv]. Deze praktijk wordt herkend en heeft ook bondgenoten. Collega werkers zoals wijkverpleegkundigen en wijkpolitie zien het als zinnig als je, meer dan wat zij kunnen, tijd neemt voor mensen die veel alleen zijn of praktische hulp nodig hebben. We zijn partner in de aanpak van de coronapandemie in het samenwerkingsverband ‘Delfshaven Helpt’. Ook de gemeente ziet de initiatieven van het wijkpastoraat en het werk van mij en mijn collega’s als een belangrijke aanvulling voor het bestaande aanbod. Tegelijk moet deze waardering elk jaar opnieuw bevochten worden als het gaat om de financiering.
  • Ik ben er nog steeds niet helemaal over uit hoe ik mijn functie moet omschrijven. Voor de gemeente ben ik ouderenwerker. Soms word ik door de welzijnsorganisatie gevraagd mensen te bezoeken, waarbij sprake is van zogenaamde ‘life events’. Denk aan: overlijden partner, eenzaamheid of depressie. Dan ben ik geestelijk verzorger. En ook als niet precies helder is wat er met iemand aan de hand is, word ik door de back office van werkers langs gestuurd om polshoogte te nemen. Dan ben ik een soort verkenner vooruit of vertrouwenspersoon. De naam van de stichting, mijn eigen opleiding en de ontwikkeling in het werk maken dat ik mezelf in de loop van de tijd wijkpastor ben gaan noemen. De bewoners ervaren iets in die richting als zij me meemaken, want dat is de naam die ze gebruiken als ze mij voorstellen aan anderen. Mijn worsteling met de naam van de functie zie ik als een kenmerk van deze tijd waar ons handelen doelgericht en functioneel moet zijn. Het laat ook zien dat kerk en pastoraat in de marge van de maatschappij zijn terecht gekomen. Voor mijzelf is de functie pastor passend omdat het alle genoemde functies bij elkaar brengt. Het verenigt wijkwerker ouderen, opbouwwerk, groepswerk en geestelijke zorg. 

Tot slot

Ik heb gepoogd te laten zien dat het project ouderen en mijn invulling als wijkpastor een kleine, eigenzinnige, kwetsbare poging is om present te zijn. En toch is die kwetsbaarheid misschien wel de kracht van het project. Als Jezus zijn leerlingen de wereld in zendt, krijgen ze het advies dit te doen zonder bagage. Dus geen geld, geen twee stel kleren, sandalen of stok. En als ze in een dorp of stad aankomen, moeten ze onderzoeken wie het waard is hen te ontvangen. Zo zullen ze ontdekken wat zij te doen en te zeggen hebben op die plek. Die afhankelijkheid van de leerlingen doet iets met de mensen die hen ontvangen. EB p. 19. Dan gebeuren er bijzondere nieuwe dingen. Zo, zonder bagage, heb ik me soms gevoeld bij mijn ontmoetingen in de wijk de afgelopen jaren. Hoe kwetsbaar ook, zo present zijn is ook een rijke ervaring met verrassende ontmoetingen, collegiaal samen werken met bewoners, ontvangen en geven. Present zijn is een ‘gebeuren’ waar steeds opnieuw iets van God zichtbaar wordt. [v]

Gebruikte literatuur:


[i] Alle dagen nieuw. Een theologisch visie voor de 21ste eeuw. Erik Borgman Utrecht 2020

[ii] Zo wordt het spel gespeeld” over empowerment en gemeenschap – een praktijkonderzoek uit het werkveld Urban Mission – Titus Schlatmann en Rob van Waarde

[iii] Ik schreef een blog over de kracht van groepen op basis van het denken van Tine van Regenmortel. Zie: https://janvandiepen.wordpress.com/2017/10/17/samenredzaamheid-en-de-eigen-kracht-van-mensen-en-groepen/

[iv] Van Petrus tot Constantijn. De eerste christenen. Pierre Trouillez. Leuven 2002.

[v] Niets gaat ooit verloren. Transcendentie en transformatie in het denken van Charles Taylor. Proefschrift Iemke Epema. Skandalon 2018

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s